Autisme, wat is het ?

Een vraag die niet in één handomdraai kan worden beantwoord. Op deze pagina kan je een eerste duiding vinden. Het ligt niet in onze bedoeling en het is ook niet haalbaar om via een webside je wegwijs te maken in de complexiteit van autisme ,laat staan dat we je (des-)kundig kunnen maken.

Er is heel wat te vinden op het web, de vraag is wat is de waarde van al die informatie?

Heel wat van die sides zijn met de beste bedoelingen gemaakt, maar steunen voor hun informatie op dubieuze bronnen, en brengen de lezer eerder op een dwaalspoor. Heel wat van deze sides baseren zich op weinig wetenschappelijk onderbouwde gegevens.

We hebben een aantal teksten voor u geselecteerd, die van degelijke websides komen. wil je de links vinden dan kan je terecht op onze verwijspagina.

wat is een autistische stoornis

Onder personen met een 'autistische stoornis'  worden verstaan personen, van wie de ontwikkeling verstoord verloopt of verlopen is op grond van :

een stoornis in het sociale contact, met name in de sociale wederkerigheid
De aard van deze contactstoornis kan heel verschillend tot uiting komen. Sommige personen zijn heel passief en nauwelijks betrokken bij de hen omringende wereld, terwijl anderen geen afstand bewaren en vaak op een bizarre claimende wijze iemands aandacht opeisen. Bovendien is zowel het inzicht in wat anderen voelen en denken als het doorzien van sociale situaties zeer beperkt.
een stoornis in de verbale en non-verbale communicatie
Sommige personen spreken in het geheel niet, anderen zijn misleidend welbespraakt, met alle mogelijke tussenvormen. Het blijft echter voornamelijk eenrichtingsverkeer. Mimiek en gebarentaal is voor hen moeilijk te begrijpen en kan een bron van verwarring vormen.
een stoornis in het verbeeldingsvermogen
Deze stoornis (zich onvoldoende iets kunnen verbeelden/voorstellen en er betekenis aan kunnen verlenen) kan zich uiten in o.a. een totaal gebrek aan verbeelding, invoelingsvermogen, maar ook in een teveel aan fantasie, waar het individu zich in verliest.
een opvallend beperkt repertoire van interesses en activiteiten
Het individu heeft slechts oog voor enkele objecten, onderwerpen of activiteiten (bijvoorbeeld draaiende wieltjes, treinen of het openen en sluiten van deuren). Hij kan hier zo door in beslag genomen of geobsedeerd worden dat hij veel te weinig interesse in andere zaken heeft, waardoor de ontwikkeling ernstig wordt belemmerd, en zijn isolement toeneemt.

De verschijnselen worden meestal zichtbaar voor het derde levensjaar, en komen tot uiting op meerdere ontwikkelingsgebieden. Er is sprake van een onevenwichtig ontwikkelingsprofiel. Qua niveau van functioneren zijn er vaak uitschieters, zowel naar boven (bv op het gebied van getallen of techniek) als naar beneden (bv sociaal inzicht of aanpassingsvermogen).

Het gaat bij een autistische stoornis om een hersenfunctiestoornis, waarvan de oorzaak (nog) niet duidelijk is. Er zijn sterke aanwijzingen voor erfelijke factoren. In sommige gevallen is er een samengaan met een medisch ziektebeeld (bijvoorbeeld rodehond of epilepsie).

De informatieverwerking verloopt gestoord: informatie wordt anders opgeslagen en verwerkt. De wereld bestaat voor mensen met deze stoornis uit losse fragmenten. De logische samenhang ontbreekt en er ontstaat onvoldoende inzicht in hetgeen men ervaart. Zij leggen daardoor onvoldoende of vreemde associaties, en het vermogen om opgedane kennis op een breder vlak toe te passen is ontoereikend. Een persoon met een autistische stoornis zoekt in de voor hem onoverzichtelijke wereld zekerheid en veiligheid door zich vast te klampen aan details en vaste gewoontes. Vaak is er sprake van een allesoverheersende gedachte of bezigheid, die steeds wordt herhaald (preoccupatie). Veranderingen kunnen hem in grote paniek brengen. Dit alles kan in hun omgeving veel verwarring en onbegrip veroorzaken.

Autistische stoornissen vormen een spectrum van aandoeningen die per individu en per leeftijd kunnen verschillen in ernst en verschijningsvorm. De kenmerken hoeven zich niet altijd op alle fronten (direct) te manifesteren, doch de problematiek als gevolg van de stoornis is voor die persoon en zijn omgeving zeker niet minder.

De stoornis komt voor bij personen met uiteenlopende niveaus van verstandelijk functioneren, van diep zwakzinnig tot hoog intelligent. Verhoudingsgewijs komt de stoornis veel vaker voor bij mensen met een verstandelijke handicap: zeker 80% van de mensen met een autistische stoornis heeft tevens een verstandelijke handicap. De stoornis wordt aanzienlijk vaker gezien bij mannelijke dan bij vrouwelijke personen (4:1).

DSM IV

Diagnostische Criteria voor 299.00 Autistische Stoornis

Tenminste zes (of meer) items van (A), (B), en (C), met minstens twee van (A), en een van (B) en (C)

    1. kwalitatieve tekortkomingen in sociale wisselwerking zoals blijkt uit tenminste twee van de volgende:
      1. opvallende tekortkomingen in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen zoals oogcontact, gezichtsuitdrukking, lichaamshouding, en mimiek(welke sociale wisselwerking regelt)
      2. tekortkoming in het ontwikkelen van vriendschappen met leeftijdsgenoten in overeenstemming met het ontwikkelingsniveau
      3. een gebrek in het spontaan delen van plezier,interesses, of prestaties met andere mensen, (bv., door een tekortkoming in het verduidelijken van interesses naar anderen mensen)
      4. Een gebrek in sociale of emotionele wederkerigheid(bijv. doet niet actief mee aan eenvoudige spelletjes die men alleen moet doen; betrekt andere kinderen uitsluitend als "mechanisch hulpstuk" bij spelletjes)
    2. Kwalitatieve tekortkomingen in communicatie zoals blijkt uit minstens een van de volgende:
      1. vertraging in, of een totaal gebrek aan, de ontwikkeling van de gesproken taal (welke niet gevolgd wordt door een poging dit te compenseren door alternatieve mogelijkheden van communicatie, zoals gebaren of mimiek)
      2. bij individuen met goede spreekvaardigheid, opvallende tekortkomingen in het starten of onderhouden van een gesprek met anderen.
      3. stereotype of herhaald gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik
      4. een gebrek in gevarieerd, spontaan fantasiespel of sociaal imitatiegedrag overeenkomstig het ontwikkelingsniveau
    3. Opvallend beperkt en stereotype gedragspatroon, interesses en gedragingen, zoals blijkt uit minstens twee van de volgende:
      1. overdreven in beslaggenomen zijn door een of meer stereotiepe en beperkte interessegebieden, welke abnormaal zijn in intensiteit of concentratie
      2. blijkbaar onverzettelijk ten opzichte van specifieke, niet functionele handelingen of rituelen
      3. stereotype en repeterende lichaamsbewegingen (zoals handflappen of draaien met de handen, of complexe bewegingen van het hele lichaam)
      4. hardnekkige preoccupatie met gedeeltes van objecten

 

  1. vertragingen of abnormaal functioneren in ten minste een van de volgende gebieden, binnen de eerste drie levensjaren:
    1. sociale interactie
    2. sociaal taalgebruik
    3. imitatie- of fantasiespel

     

  2. de stoornis kan niet verklaard worden als Rett's syndroom of Childhood Disintegrative Disorder

CHAT

Specifiek voor huisartsen en artsen die raadplegingen houden voor hele jonge kinderen (zoals in Kind & Gezin), is door Simon Baron-Cohen van het psychiatrisch instituut van de University of London, in samenwerking met Christopher Gillberg, kinderpsychiater aan de universiteit van Göteborg (Zweden) een screeningsinstrument ontwikkeld voor peuters van ongeveer 18 maanden.

Het betreft een eenvoudige vragenlijst, bestaande uit 9 vragen aan de ouders en 5 aandachtspunten voor observatie van de peuter tijdens de raadpleging. De checklist kan op nauwelijks enkele minuten ingevuld worden.

Hoewel het instrument nog uitvoerig moet onderzocht worden op betrouwbaarheid en validiteit door middel van een follow-up studie op grote schaal, getuigen de eerste onderzoeksresultaten van een veelbelovend instrument. In een steekproef van 91 peuters, waaronder 41 kinderen met risico-ontwikkeling, werden op de leeftijd van 18 maanden de 4 peuters met autisme reeds gedetecteerd aan de hand van de CHAT. Op de leeftijd van 30 maanden werd deze detectie diagnostisch gevalideerd. Omdat de CHAT nog experimenteel is, dient de nodige voorzichtigheid in het gebruik ervan aan de dag gelegd. Maar het lijkt ons een handig en economisch instrument om vermoedens omtrent autisme reeds op vroege leeftijd uit te spreken, zodat het kind kan doorverwezen worden naar gespecialiseerde diagnostische centra zoals de Centra voor Ontwikkelingsstoornissen.

CHAT: hoe hanteren?

Chat dien je als ouder of niet professioneel met de nodige omzichtigheid te gebruiken. Zie het als een indicatie, het geeft een vermoeden, die enkel zegt dat je contact dient op te nemen met een deskundige!!! Trek hier nog geen besluiten uit!!

Onder de 14 vragen zijn er 5 sleutelindicatoren voor autisme: sociale interesse (2), sociaal spel (4), verbeeldingsspel (5), protodeclaratief wijzen (7) en gedeelde aandacht (9). Indien op 2 of meer van deze 5 sleutelvragen een neen als antwoord gegeven wordt, is er een vermoeden van autisme.

Verder onderzoek is dan aangewezen.

Deel 1: Vragen aan de ouders

1.

Geniet je kind ervan, wanneer het rondgezwierd, op je knie geschommeld... wordt?

JA

NEEN

2.

Heeft je kind belangstelling voor andere kinderen?

JA

NEEN

3.

Klimt / klautert je kind graag op dingen, zoals op trappen?

JA

NEEN

4.

Geniet je kind van kiekeboespelletjes, verstoppertje?

JA

NEEN

5.

Doet het kind ooit alsof, b.v. dat het een kopje koffie maakt (gebruik maken van een

JA

NEEN

 

speelgoedkopje en -kan), of doet hij/zij met andere dingen wel eens alsof?

JA

NEEN

6.

Wijst je kind ooit wel eens iets (met de wijsvinger) aan om iets te vragen?

JA

NEEN

7.

Wijst je kind ooit wel eens iets aan, om zijn/haar belangstelling voor iets te tonen?

JA

NEEN

8.

Kan je kind goed (of: gepast) spelen met kleine speeltjes (b.v. autootjes, blokken) -

JA

NEEN

 

méér dan louter die in de mond steken, eraan friemelen, of ze laten vallen?

JA

NEEN

9.

Brengt het kind wel eens voorwerpen naar jou (de ouder), om je iets te tonen?

JA

NEEN

 

Deel 2: Observatie door de arts

1.

Heeft het kind tijdens de raadpleging oogcontact met jou gemaakt?

JA

NEEN

2.

Trek de aandacht van het kind. Wijs dan door de kamer een interessant voorwerp aan, en zeg: "Kijk (eens) daar! Een (naam van het speeltje)!" Bekijk het gezicht van het kind. Kijkt het door de kamer om te zien wat je aanwijst?      

JA

NEEN

 

("JA": het kind heeft echt gekeken naar het voorwerp dat je aanwees, en niet gewoon naar je hand.)

 

3.

Trek de aandacht van het kind. Geef het dan een miniatuurkopje en -kan, en zeg: "Kan je een kopje koffie (thee...) maken?" Doet het kind alsof het koffie schenkt, drinkt enz.?

JA

NEEN

 

("JA": ook als je een ander voorbeeld van een doe-alsof-spelletje kan' uitlokken'.)

 

4.

Vraag aan het kind: "Waar is de lamp?" of "Toon me de lamp". Wijst het kind met de wijsvinger naar de lamp? Als het kind het woord "lamp" niet begrijpt, vraag dan naar een ander voorwerp, dat buiten zijn/haar bereik ligt.     

JA

NEEN

 

("JA": op (of rond) het moment, waarop het kind het voorwerp aanwijst, moet het naar je gezicht kijken.)

 

5.

Kan het kind een toren maken met blokken? (Zo ja, met hoeveel blokken?)

JA

NEEN

"Can autism be detected at 18 months? The needle, the haystack, and the CHAT," British Journal of Psychiatry, 1992, 1614, pp. 839-843. Simon Baron-Cohen, Institute of Psychiatry, University of London, De Crespigny Park, London SE5 8AF